Wat je als kind niet kreeg, verlang je later in je relatie
Op elk sociaal medium kom je ze inmiddels tegen: video’s over “anxious attachment”, testjes om je gehechtheidsstijl te bepalen, lijstjes met signalen dat je partner “avoidant” is. Miljoenen views, eindeloze reacties van mensen die zich herkennen. Kennelijk raakt dit iets. Maar in de meeste van die filmpjes stopt het bij het label. Je krijgt een naam voor je gedrag, en daarmee het gevoel dat je begrepen bent. Wat je zelden krijgt, is het antwoord op de vraag die er werkelijk toe doet: waar komt dit vandaan, en wat doe je ermee?
Als relatietherapeut en coach zie ik dagelijks wat er achter die labels schuilgaat. Mensen die in relaties keer op keer tegen dezelfde muur lopen. Die zich terugtrekken zodra het dichtbij wordt, of juist paniekeren zodra een partner een avond stil is. Die intelligent, succesvol en zelfstandig zijn, en toch in liefde blijven vastlopen op iets dat ze niet kunnen benoemen. Bijna altijd loopt het spoor terug naar de kindertijd. Vaak niet naar een dramatische gebeurtenis, maar naar iets subtielers: een gezin waarin voor iedereen goed werd gezorgd, maar waarin niemand echt zag wat er in het kind omging. Er niet naar gevoelens werd gevraagd.
Wat in de kindertijd niet werd afgestemd, komt later terug in je relaties. Niet als herinnering, maar als patroon. Als je als kind ervaarde dat je gevoelens er niet toe deden, ga je als volwassene vaak op zoek naar een partner bij wie je eindelijk gezien wordt. Of je leert juist niets meer te verwachten, om nooit meer teleurgesteld te worden. Beide zijn overlevingsstrategieën die ooit hun werk deden, en die decennia later een relatie in de weg zitten.
Dit inzicht is niet nieuw voor wie met gehechtheid werkt. Wat wel vaak ontbreekt in het publieke gesprek erover, is het besef dat afstemming meer is dan liefde geven of aandacht tonen. Een kind kan in een warm gezin opgroeien, met ouders die van hem houden, en toch voortdurend het gevoel hebben er alleen voor te staan, omdat er niemand is die precies aanvoelt of doorvraagt naar wat er in hem omgaat op het moment dat het ertoe doet. Die stille kloof tussen goedbedoeld ouderschap en werkelijk gezien worden, is waar ik met mijn roman Onaangeroerd over schrijf. Het boek volgt een jongere die opgroeit in een gezin dat er van buitenaf goed uitziet, en laat zien hoe subtiel het gemis aan afstemming zich opstapelt tot iemand voor beslissingen komt te staan die te groot zijn om alleen te dragen. Lezers die zelf zo’n jeugd hebben gehad, herkennen zich vaak in details die ze nooit eerder onder woorden hadden gebracht.
Precies dat herkenningsmoment zie ik terug in mijn praktijk, alleen dan bij volwassenen die aan de andere kant van het verhaal zitten: in een relatie, worstelend met vertrouwen, nabijheid of het gevoel nooit genoeg te zijn. Zij komen niet binnen met de vraag “wat is er met mij gebeurd”, maar met een concreet relatieprobleem. Pas als je verder kijkt dan het conflict van vandaag, wordt zichtbaar dat het lichaam en het zenuwstelsel nog steeds reageren op iets van vroeger, lang voordat er passende woorden voor waren.
Dat is waarom een label als “anxious attachment” nooit het eindpunt zou moeten zijn, maar het begin van een vraag. Niet: wat ben ik? Maar: wat is mij ooit niet gegeven, en wat heb ik daarvan gemaakt? Wie die vraag serieus stelt — als ouder, als partner, of als hulpverlener — doorbreekt iets dat anders moeiteloos wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Oud zeer verdwijnt niet vanzelf. Maar het hoeft ook niet voor altijd te bepalen wie je nu bent, of wie je kunt worden voor de mensen van wie je houdt.
Liefs, Anne-Brit

